Eindigheid van de Hel

Share:

In de Koran kunnen we in veel verzen lezen over het Hiernamaals. Zo komen wij als mens meer te weten over het bestaan van de Hel en de Hemel. Wat minder mensen weten is dat er onder vroege islamitische stromingen veel debat was over de vraag of de Hel van eeuwige duur is of niet. Er is overeenstemming over de eeuwigheid van het Paradijs, maar er was verschil van mening over de bestaansduur van de Hel. Hoe verliep dat debat?

Er waren verschillende standpunten. De meerderheid van de ahl al-Sunna hanteert de mening dat gelovigen naar de Hel kunnen gaan. De Hel is dan van tijdelijke aard. Mensen met zelfs de kleinste korrel geloof zullen dan hun tijd uitzitten voor de wandaden die gedaan zijn, maar uiteindelijk, met de Genade van Allah, zullen zij tot het Paradijs toetreden. Allah heeft gezegd: “Het Paradijs is Mijn Genade de Hel is Mijn Bestraffing”.1 Een meerderheid van de latere geleerden van de ahl al-sunna heeft uiteindelijk het standpunt ingenomen dat de Hel ook eeuwig zal zijn. Dit betreft dan de polytheisten en paganisten, voor hen zal de Hel eeuwig zijn.

Er is ook een groep, de Marjiyyah, die het standpunt hanteert dat zondige gelovigen niet naar de Hel gaan, maar direct naar het Paradijs, dus dat de Hel alleen voor ongelovigen zal zijn. Een juist tegengestelde mening is dat zelfs zondige gelovige moslims ook voor eeuwig naar de Hel kunnen gaan. Deze mening zien we bij de Khawarij en de Mu’tazila.2 De geleerden waar we ons in dit artikel op concentreren, hanteren de mening dat, zodra een zondaar (gelovig en ongelovig) naar de maat van Allah de bestraffing heeft uitgezeten, de Hel uiteindelijk vernietigd zal worden, en dus alle zielen uiteindelijk verlossing zullen kennen.

Consensus?

De meeste sunni geleerden waren van mening dat er ijma (concensus/overeenstemming) onder de geleerden over dit onderwerp bereikt was en dat het daarmee niet meer bediscussieerbaar was. Ibn Taymiyya (gest. 728/1328) en zijn leerling Ibn al-Qayyim al-Jawziyya (gest. 750/1350) waren van de Hanbalitische wetschool, die het ijma concept onder latere geleerden niet accepteert. Zij accepteren alleen consensus onder de sahaba en de taabi’un (metgezellen van de Profeet en de opvolgers daarvan) In latere ahadieth zullen we zien dat deze er niet was. Daardoor was de ijma van de latere geleerden voor hen dus niet bindend en geen geldige reden om dit soort issues niet meer te overdenken. Ibn al-Qayyim legde de zaak van de eindigheid van de Hel voor aan zijn meester IIbn Taymiyya, die een vaag antwoord gaf: “Deze zaak is heel groot”.3

De grote theoloog Fakhr al-Din al-Razi (gest. 606/1209) besprak eerder al de eindigheid van de bestraffing in de Hel. Ibn al-Qayyim bespreekt het echter uitgebreider en gaat er dieper op in. Hij legt in zijn boek Shafa al-Aleel en Haadi al-Arwah middels Koranverzen, ahadieth, uitspraken van de sahaba en vijfentwintig intellectuele argumenten uit dat, zodra iedereen zijn portie heeft gehad, de Hel vernietigd zal worden. Andere geleerden uit die tijd, zoals Zaydi Yaman en Shaykh Muqbali, waren ook deze mening toegedaan. De grote Shaykh en mysticus Muhyuddin Ibn al-‘Arabi (gest. 1240) hanteert een afwijkende visie, namelijk dat ongelovigen en polytheïsten wel degelijk voor eeuwig in de Hel zullen verblijven, maar dat deze uiteindelijk comfort en zelfs plezier in de Hel kunnen vinden “zoals een worm die ervoor kiest in de viezigheid te blijven en daarvan houdt”.4 Ibn al-Qayyim zegt dat het vuur niet zozeer een straf is, maar eerder een therapeutische functie heeft. Het reinigt iemand van zijn zonden, zelfs zonden als kufr (ongeloof) en shirk (veelgoderij).5

Vernietiging van de Hel

Ibn al-Qayyim noemde de eindigheid van de Hel fanaa’ an-Naar, “de uitdoving/opheffing van het vuur”. Onder latere geleerden werd getwijfeld of deze mening ook aan Ibn Taymiyya toegeschreven kon worden. Een Yemenitische geleerde Muhammad b. Isma’il al-San’aani (gest. 1182/1768) schrijft de fanaa’ al-naar– theorie aan zowel Ibn Taymiyya als Ibn al-Qayyim toe, omdat de laatste de eerste wel aanhaalt, maar er toen geen eigen teksten van de meester waren gevonden. In 1990 verklaarde de Saoedische geleerde ‘Ali al-Harbi om die reden dat Ibn Taymiyya het zelf nooit gezegd heeft. In 1995 publiceerde de hedendaagse Saoedische geleerde Muhammad al-Simhari echter een werk dat onbetwistbaar authentiek van Ibn Taymiyya’s hand is: Al-Radd ‘ala man qaala bi-fanaa’ al-jannawa al-naar (“Antwoord aan wie zegt dat het Paradijs en het Vuur zullen verdwijnen”). Dit zou volgens Ibn Qayyim zijn meesters laatste werk zijn en het is hoogstwaarschijnlijk geschreven als antwoord van Ibn Taymiyya op de vraag van zijn student Ibn al-Qayyim.6

Koran en tijdperk van de Hel

Zowel Ibn al-Qayyim als zijn meester Ibn Taymiyya verwijzen in hun werken naar Koranverzen om hun stelling te verdedigen dat de Hel eindig is. De Koran spreekt op verschillende momenten over het verblijf in het Hiernamaals. In 78:23 kan “laabithiena fiehaa ahqaaban” vertaald worden met “zij verblijven daarin voor zeer lange tijd”. Volgens de klassieke sunni doctrine verwijst dit vers naar de monotheïstische zondaren. Zij zullen een lange tijd in de Hel verblijven. Maar volgens Ibn Taymiyya verwijst dit vers naar de ongelovigen.7

Vers 6:128 gaat expliciet over polytheisten en ongelovigen: “Het vuur is jullie bestemming, om daarin (lange tijd) te verblijven (khalidiena fieha), behalve wat Allah wil (illa ma sha Allah)”. Het woord khalidiena heeft verschillende betekenissen: voor eeuwig blijven, tot het einde verblijven, ergens verblijven, ergens heel lang zijn. Opmerkelijk is dat er hier een eind optie gegeven wordt, namelijk “behalve wat Allah wil”. Het is dus alleen volgens de Wil van de Allah.8 Vers 11:107 verhaalt: ”Zij verblijven daarin zolang de Hemelen en de aarde voortduren, behalve wat Allah wil. Voorwaar jouw Heer is doener van wat Hij wil”. De eindigheid is dus met de lengte van de Hemelen en de Aarde, of wat Allah wil.9

Ibn Zayd10 en Sha’bi (salaf Koranexegeten) zeiden dat hoewel Allah ta ‘Ala de inwoners van het Paradijs heeft beloofd dat het voor eeuwig en onafgebroken voortduurt, Hij het lot van de mensen in de Hel niet heeft vrijgegeven en geheim heeft gelaten. De tuinen zullen een “eeuwigdurende zegen zijn… zij verblijven daarin voor eeuwig” (Koran, 98:8). Eerder bij de Hel werd alleen “khalidiena fieha” (zij verblijven daarin) gebruikt, maar als het hier over het Paradijs gaat, wordt “khalidiena fieha abadann” gebruikt. “Abadann” is een oneindige eeuwigheid. In Koran 64:9-10 zien we een zelfde verhandeling. Voor de Hel wordt alleen “khalidiena fieha” gebruikt, maar bij het Paradijs staat de oneindige toevoeging van “abadann”. Dit is een duidelijk onderscheid tussen het spreken over de Hel en over het Paradijs. Zo zijn er veel soortgelijke verzen in de Koran te vinden. Voorstanders van de oneindigheid van de Hel zeggen dat “khalidiena” zelf al een oneindigheid in zich heeft, tegenstanders zeggen dat er een duidelijk onderscheid is tussen “khalidiena” (zonder toevoeging) en “khalidiena abadann” (met de toevoeging ‘eeuwig’).11

Er zijn echter wel drie verzen waarin de toevoeging adabann ook in relatie met de Hel wordt genoemd: 33:65, 72:23 en 4:168. Dit wordt uitgelegd als dat als je erin zit, je er niet zelf uit kunt komen. Het vuur is een straf en een reiniging. Natuurlijk kun je daar niet zelf uitkomen, tenzij Allah dat wil: “Jullie zullen daarin verblijven, behalve wat Allah wil” (Koran, 6:128).12 Ibn Taymiyya bracht hier nog tegenin dat de Koran nergens zegt dat het Vuur niet zal verdwijnen, er wordt volgens hem alleen bedoeld dat de ongelovigen voor altijd in de Hel zullen verblijven, zolang de Hel bestaat.13

Menselijke onmogelijkheid

Een interessant vers waarover veel interpretaties zijn, is 7:40: “Voorwaar, diegene die Onze Tekenen (Openbaring) ontkennen/afwijzen en zich er arrogant vanaf wenden, de poorten van het Paradijs zullen voor hen niet worden geopend. En zij zullen het Paradijs niet binnengaan totdat de kameel door het oog van de naald gaat”.

Klassiek werd dit vers geïnterpreteerd als een beeldspraak voor onmogelijkheid. De hedendaagse moslimdenker Osama Abdallah is van mening dat dit vers echter lang voor de komst van de Koran al uitgelegd was, namelijk in de Bijbel in Mattheüs 19:23-26: “Jezus wendde zich tot zijn leerlingen: ‘Ik verzeker jullie: slechts met grote moeite zal een rijke het koninkrijk van de Hemel binnengaan. Ik zeg het jullie nog eens: het is gemakkelijker voor een kameel om door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke om het koninkrijk van God binnen te gaan.’ Toen de leerlingen dit hoorden, waren ze hevig ontzet en vroegen: ‘Wie kan er dan nog gered worden?’ Jezus keek hen aan en antwoordde hun: ‘Bij mensen is dat onmogelijk, maar bij God is alles mogelijk’”.14

Abdallah legt uit dat het voor mensen moeilijk is om de vergevingsgezindheid van God in te beelden, omdat mensen vaak wraak willen. Maar God is ar-Rahman ar-Rahiem. Deze beeldspraak in zowel de Koran als de Bijbel maakt duidelijk dat het voor mensen iets onmogelijks is, maar God is Almachtig en is tot alles in staat. Het duurt dit misschien wel heel lang, en in mensenlevens zullen ze wellicht niet vergeven worden, maar bij de Gratie van Allah wel.15 Overigens spreken de grote moderne denkers Sayyid Qutb en Muhammad Asad in hun vertaling in plaats van over een kameel van een “gedraaid touw” en de hedendaagse Professor Abdel Haleem van een “dik touw”16, wat het alweer wat minder onmogelijk maakt. In alle vertalingen gaat het dus om een metafoor die een grote moeilijkheid aanduidt.

Als uiteindelijke verzen voor de aanhangers van de eindigheid van de Hel worden de volgende vaak aangehaald: “wa Rahmati wasi’atu kull shay” – “en Mijn barmhartigheid strekt zich uit over alle zaken” (Koran, 7:156) en “Allah vergeeft alle zonden” (Koran, 39:53). Ibn Taymiyya sluit zijn visie op de eindigheid van de Hel af met het vers 6:12 – “God heeft zichzelf barmhartigheid voorgeschreven”- en de hadieth “Mijn barmhartigheid is groter dan mijn woede”.17 Deze teksten leggen voor hem haarfijn uit dat barmhartigheid de overhand heeft in het Hiernamaals.

Hadieth over de eindigheid van de Hel

Er zijn diverse uitspraken die spreken over de toestand van de Hel als hij leeg is. Al-Tabarani leverde de hadieth over dat Abu Umamah r.a. vertelde dat de Profeet saws zei: “Er zal een dag komen dat de Hel zoals de bladeren van de herfst is en de deuren zullen opengaan”. En: “Er zal een dag komen dat de poorten van de Hel opengaan en er zal niemand binnenin zijn”. Abu Hurayrah r.a. verhaalde: “Wat ik zei is dat er bij de Hel een dag zal verschijnen wanneer niemand erin is”. Abdullah Ibn Amr Ibn al-Aas r.a. leverde over: “De dag zal komen dat de lege poorten van de Hel zullen kraken en piepen. Niemand zal erin zijn en dit zal gebeuren nadat de inwoners er duizenden jaren in hebben volbracht”.18 Het woord voor deze periode aanduiding van duizenden jaren is ahqab, de aanduiding die in vers 78:23 ook gebruikt wordt, en door sommige Koranvertalingen als eeuwig/oneindig worden vertaald.19 Dit terwijl deze hadith duidelijk aangeeft dat het dan wel een hele lange en zeker ook onplezierige periode is, maar niet een nooit ophoudende periode betreft.

Ibn Qayyim haalt in zijn boek Shifa’ al-‘Alil (Genezing van de zieke) twee ahadieth van ‘Umar Ibn al-Khattaab r.a. aan: “Zelfs al bleven de mensen van het vuur in het vuur met een duur zoals de grootte van het zand van ‘Alij (een gebied in de woestijn onderweg naar Mekka), zij zullen desondanks een dag hebben waarop zij eruit komen”. Deze hadieth koppelt hij aan Koranvers 78:23 waarin “de lange periode” (ahqaaban) ook genoemd wordt. Klassieke theologen zouden deze verzen alleen met monotheïsten hebben verbonden, terwijl Ibn Taymiyya zelf duidelijk zei dat dit vers refereert aan ongelovigen.20 En “Er zal voor de Hel een dag komen dat niemand erin zal blijven”. Voor Ibn Qayyim waren deze ahadieth heel duidelijke bewijzen en daarom een reden om de klassieke ijma van de geleerden in twijfel te trekken.

De Hel als reiniging

De Hel heeft een belangrijke functie volgens Ibn Taymiyya en Ibn al-Qayyim, maar dan op een dieper niveau. De Hel kan gezien worden als de reiniging van de ziel. Reiniging van zonden op een dieper niveau, van het aardse, om vervolgens puur en vrij van slechte dingen het Paradijs binnen te gaan. Een prachtige beeldspraak is te vinden in Sahih Bukhari: “Het reinigt iemand van diens zonden, zoals het vuur de onzuiverheden van zilver wegneemt”.21 Mensen zijn als het ware het zilver dat tijdens het leven vies geworden is. Niemand is zonder zonden. De Hel wast de ziel om haar weer puur te maken.

Ibn Taymiyya verwijst ook naar de Hikma, wijsheid, van God in alles wat Hij doet. Er zou geen wijsheid zitten in een eeuwige bestraffing, terwijl dat wel het geval bij een tijdelijke bestraffing; dit zou men namelijk reinigen van de zonde en de ziel puur maken. Theologisch optimisme laat Ibn Taymiyya de vraag over de Hel stellen, want eeuwig Vuur ondermijnt zijn visie dat Allah alles met Wijsheid creëert en hen leidt tot liefde en aanbidding van Hem alleen. Het slechte of duivelse beschouwt hij als educatief en als een reiniging, want het geeft de mogelijkheid om ermee te worstelen en verder te komen in het religieuze leven en perfecte aanbidding van God alleen.22

Inna illayhi wa inna lillayhi radji’oen: “Van Allah komen wij en tot Allah keren wij terug”. De beloning voor de gelovigen is dat zij Het aangezicht van Allah zien. De marteling voor de mensen in de Hel is dat zij Allah’s aangezicht nooit zullen zien: “Op die Dag zullen zij ‘afgesluierd’ zijn van hun Heer” (83:15) en “Allah zal niet tot hen spreken” (3:77).

God is de schepper van alles. Al het andere is dus geschapen, alleen God zelf is Eeuwig en Oneindig. Als duidelijk is dat God in het Paradijs zal zijn en afwezig is in de Hel, kan het heel goed zijn dat alleen de Hel eindig is, als Allah dat Wil. Ibn Qayyim vertelt in zijn Hadi, in de lijn van Ibn Taymiyya, dat de Tuinen een product zijn van Gods Rahma, en het Vuur is een product van Gods Woede (Ghadab). Nu we weten dat Gods Woede overwonnen zal worden door Gods Rahma, is het volgens hem logisch dat de gevolgen van de effecten van Gods Rahma dus ook de overhand hebben over de effecten van Gods woede.23

Moge Allah onze harten verzachten in het oordelen over anderen.

Noten

  1. Sahih Bukhari (hoofdstuk over de genade van Allah), Sahih Muslim, geciteerd in Allama Shibli Nomani & Syed Suleman Nadvi: Sirat un Nabi, Prophethood & Beliefs vol. IV. DarulIshaat, Urdu Bazar Karachi Pakistan, 2003, p. 546.
  2. Nomani & Nadvi (2003), p. 546.
  3. Jon Hoover: ‘Islamic Universalism: Ibn Qayyim al-Jawziyya’s Salafi Deliberations on the Duration of Hell-Fire’. In: The Muslim World, London, 2009, p. 182.
  4. Ibn Qayyim geeft deze hadieth weer in Shifaal al-Aleel, p. 258. Sommige van deze zijn ook te vinden in de tafsir van Tabari zoals in zijn tafsir van sura al Hud, vol, 12, p. 350 (via Nomani & Nadvi, 2003, p. 546).
  5. Hoover (2009), p. 182.
  6. Hoover (2009), p. 184.
  7. Hoover (2009), p. 186.
  8. Nomani & Nadvi (2003), p. 557.
  9. Nomani & Nadvi (2003), p. 548.
  10. Said ibn Zayd (593-ca. 673) was een metgezel van Mohammed en tevens volgens de islamitische traditie één van de tien personen die bestemd zijn voor het Paradijs. Said ibn Zayd ibn Amr was een vroege bekeerling en was toen amper 20 jaar oud. Hij trouwde Fatimah bint al-Khattab, zus van de tweede kalief Omar ibn al-Khattab. Said was secretaris van Mohammed en leerde de Koranverzen uit zijn hoofd.
  11. Nomani & Nadvi (2003), p. 549-551.
  12. Nomani & Nadvi (2003), p. 551-553.
  13. Hoover (2009), p.186.
  14. Nederlandse vertaling via http://www.biblija.net/biblija.cgi?lang=nl&m=Mat+19
  15. Osama Abdallah: ‘Hell according to Islam will eventually be empty’. Op: http://www.angelfire.com/bug/answering/hell.htm (gezien op 11-07-2014).
  16. Zie http://islamawakened.com/quran/7/40/ (gezien op 27-06-2014).
  17. Sahih Muslim, 4941, At Tawba, fi sa’atrahmat Allah.
  18. Alle hadieth worden genoemd in Nomani & Nadvi (2003), p. 551.
  19. Zoals de ‘Edele Koran’.
  20. Hoover (2009), p. 186.
  21. Sahih Bukhari, vol 5., boek 64, het boek van de militaire expansies geleid door de Profeet s.a.w.s., h. 17, de invasie van uhud en de uitspraken van Allah s.w.t., nr. 4050. Beirut, Dar el Fiker, p. 152. Vertaling door Anne Dijk.
  22. Hoover (2009), p.189.
  23. Hoover (2009), p. 190.